Chocola maken tussen familie en verplegers in ouderenzorg

Onderdendam - Het zijn roerige tijden in de gezondheidszorg. In de ouderenzorg gaan de veranderingen zelfs in zo’n rap tempo dat er twijfel op zijn plaats is of er nog steeds de goede keuzes worden gemaakt.

“We moeten ervoor waken dat ouderenzorg niet het afvoerputje van de gezondheidszorg wordt,” waarschuwt directeur-bestuurder Jannie Nijlunsing van Stichting de Hoven. Nog geen veertig jaar geleden lagen de zaken voor een pensioengerechtigde helder. Als je 65 jaar werd, kon je een plekje veroveren in een van de vele bejaardentehuizen, de hotels van onze welvaartstaat, met voorzieningen als drie maaltijden op een dag, af en toe een leuke activiteit, personeel dat je op je wenken bediende en voortdurend het gezelschap van leeftijdsgenoten. En op zondag als kers op de taart het bezoek van een deel van de familie, vaak ook nog eens gekoppeld aan een leuk uitstapje. Een prachtige manier om een arbeidzaam leven af te sluiten, vonden velen. Het was dan ook geen wonder dat slimme ouderen zich al op hun 64ste inschreven om zich daar alvast van te verzekeren. Hoe anders is het nu. Iemand van 65 aanspreken als een bejaarde, wordt als een belediging opgevat. We worden met elkaar ouder en vooral gezonder ouder. Het liefst thuis, door bejaardentehuizen is een streep gezet. Wat rest zijn verpleeghuizen, met een gemiddeld veel hogere leeftijd dan de bejaardentehuizen van weleer. Er is een soort omgekeerde ballotage om erin terecht te komen: er moet nogal wat aan je mankeren. “Ik werk sinds mijn achttiende in de gezondheidszorg,” merkt Nijlunsing op. “Nu ben ik 55 en zie een transitie in de ouderenzorg die we nog nooit hebben meegemaakt. Het gaat allemaal zo snel ineens. We proberen heel erg de dingen beter te doen, maar ik zie elke keer opnieuw de druk toenemen. Dat heeft er ook mee te maken dat er andere instanties dan gebruikelijk bij betrokken zijn. Veel en snel veranderen geeft vaak problemen.” Nijlunsing wijst daarbij op de nieuwe rol van de gemeentes sinds de decentralisatie van de zorg. “Je ziet het bijvoorbeeld ook in de huishoudelijke hulp. We verwachten steeds meer van de samenleving. De ouderenzorg is een apart vak. Het zit ons op de huid, het zit ons zelfs in de huid. Een hulpbehoevende heeft snel zorg nodig. Dat gaat gepaard met emoties. En tegelijkertijd ook met geld. En dat is er steeds minder, waardoor de rol van de samenleving steeds belangrijker wordt. En dat nou net op het moment dat de individualisering in die samenleving zo’n beetje op zijn hoogtepunt is. Het is al lang niet meer zo gewoon dat we op zondag tegen elkaar zeggen: we gaan even bij opa of oma in het tehuis op visite.” Aan de andere kant hebben verpleeghuizen ook een beetje met oogkleppen op gelopen, geeft Nijlunsing aan. “Ik hen een hekel aan het woord, maar we zijn steeds meer instituten geworden, met regeltjes en bureaucratie. Het is allemaal wat afstandelijk geworden. Er is een groot verschil tussen de wereld van het verpleeghuis en de gewone wereld. We zijn uit elkaar gegroeid. Wij zijn geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd. We zijn instituten die het allemaal zo goed weten. We staan ver van het dagelijkse leven. Er bestaat daardoor een hoge drempel. We zijn bij de Hoven zes jaar geleden al begonnen met het loslaten van allerlei regels, maar we moeten het dagelijkse leven weer zien terug te brengen in het instituut. We moeten weer dichtbij de samenleving staan. Om ouderen zich in het verpleeghuis thuis te laten voelen en ze door kunnen gaan met het leven dat ze gewend zijn, is het belangrijk dat verpleeghuizen onderdeel worden van die samenleving.” Nijlunsing is hoopvol gestemd dat er in een jaar of vier, vijf een omslag kan worden gerealiseerd. “Maar dat kan niet zonder de inbreng van familie, vrienden en kennissen. Dat zijn de belangrijke anderen voor onze bewoners. Die spelen een veel grotere rol dan ze denken. De rol ligt nu te veel bij het verpleeghuis.” De vrouw die leiding geeft aan zeven vestigingen in Noord- en Noord-oost Groningen, met in totaal 800 bewoners, van wie rond de 500 dementerend zijn, haalt vaak het volgende voorbeeld aan. “We voeden onze kinderen vaak zo’n beetje op als prinsen en prinsesjes. We investeren er ontzettend veel tijd in, ondanks de vaak drukke banen. Maar ik zeg dan: ‘er is ook nog een oude koning of oude koningin’, wat doen we daar mee’.” Die belangrijke anderen hebben volgens Nijlunsing meestal maar amper door hoe belangrijk ze zijn. “Ik ben er honderd procent van overtuigd dat die contacten in wezen de kwaliteit van leven van die ouderen bepalen. Met die belangrijke anderen kunnen ze het beste de verhalen delen, maar ook vreugde, pijn en verdriet. De kwaliteit van leven wordt dan substantieel verbeterd. Die bezoekjes maken dat de ouderen het gevoel hebben dat ze ertoe doen, dat hij of zijn nog belangrijk is in de samenleving. Een klein tripje naar bekende plekken uit het verleden is in dat opzicht ook van veel waarde. “ Om die connectie te maken ziet Nijlunsing een gezamenlijke rol voor verpleging en de belangrijke anderen weggelegd. “We moeten de rol van familie en vrienden groter maken. Dat kan alleen maar door chocola te maken van de contacten tussen hen en de medewerkers. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Als de familie meer aangeeft wat ze willen en de bewoners meer aangeven wat ze willen, dan moet er samen met onze verpleging een goed plan op te stellen zijn. De familie en vrienden moeten zich bij ons weer thuis gaan voelen. Ze moeten het gevoel krijgen dat ze opnieuw in het ouderlijk huis zijn. De betrokkenheid van familie en vrienden, daar zit het vaak niet in. Maar wij hebben van onze tehuizen instituten gemaakt die het allemaal zo goed weten. Die gang van zaken is wel verklaarbaar. Door te proberen allerlei risico’s in te dammen, zijn we gaan leunen op protocollen en procedures. Daardoor zijn we de menselijke maat een beetje verloren. Het moeilijke is dat die binnenwereld van het verpleeghuis van ons is geworden. Dat moeten we leren loslaten. Het verpleeghuis moet eigenlijk het huis van de familie worden. We moeten als organisatie dan wat zeggenschap uit handen geven. Dat is voor ons moeilijk omdat we anders zijn opgeleid. Maar op die manier halen we wel de buitenwereld binnen. En daar draait het om.” Bram Noordhuis